Terug naar vorige pagina

Gezinsvoogd Savanna in de val van het zondebok mechanisme
Integrale tekst van de ingezonden brief aan de Volkskrant, n.a.v. drama rond de dood van Savanna

18 maart 2005

In gezinnen spreken we van een zondebok als een kind op oneerlijke wijze gedwongen wordt om verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de lasten of de vergrijpen van een ander.
Het lijkt wel alsof het mechanisme dat in sommige gezinnen zichtbaar is, nu ook in de maatschappij speelt. Iedereen is terecht geschokt door de dood van een onschuldig kind waarmee ons idee van een rechtvaardige wereld op zijn kop staat. Om deze onveiligheid weer om te buigen naar een geruststellende wereld, wijzen we met zijn allen naar de zondebok : als die gezinsvoogd maar juist had gehandeld, was Savanna nu niet dood geweest. Met een strafrechtelijke vervolging van de zondebok kunnen we onze ogen sluiten voor de achterliggende oorzaken van het probleem en met een gerust gemoed weer gaan slapen totdat… het volgende kind overlijdt.

Het falen van de hulpverlening aan en de bescherming van kinderen is niet alleen een kwestie van de individuele (professionele) verantwoordelijkheid van de betrokken hulpverlener.
Ook in dit concrete geval is de instelling waarbij de gezinsvoogd in dienst is eindverantwoordelijk voor de te verlenen zorg.
Het is waar, de essentie van effectieve hulpverlening en bescherming wordt gerealiseerd in de concrete ontmoeting tussen cliënt en hulpverlener..
De hulpverlener is echter degene aan het einde van een keten van onderscheiden wetgevings –branche- en organisatieverantwoordelijkheden die de randvoorwaarden bepalen voor de interventies in het concrete proces tussen cliënt en hulpverlener/beroepsbeoefenaar.
Deze randvoorwaarden bepalen in hoge mate of de interventies effectief en verantwoord plaats vinden.
In de sector jeugdzorg zijn de afgelopen jaren grote veranderingen gaande geweest, veranderingen die zich vooral hebben gericht op decentralisatie, schaalvergroting, fusies, structuurvraagstukken, met als hoogtepunt de invoering van de nieuwe Wet op de Jeugdzorg per 1 januari 2005.
Maar het in balans brengen van strategische, bestuurlijke ambities en individuele mogelijkheden van werkers is onvoldoende aan bod gekomen Dit betreft zowel het aanreiken van methoden die effectief en evidence based zijn en die verantwoord handelen mogelijk maken, als wat betreft kaders en regelgeving voor de beroepsuitoefening die continuïteit in de kwaliteit van het handelen waarborgen. Daar ligt mede een van de achterliggende oorzaken
Alle inspanningen om de jeugdzorg te versterken moeten doordacht worden vanuit en getoetst worden aan de bijdrage die het levert aan de concrete hulpverlening, zoveel is wel duidelijk
geworden.



Afra Groen, directeur Collegio
Landelijke ondersteuningsorganisatie voor de jeugdzorg,
Utrecht, 14.03.05


Terug naar vorige pagina
 
  Zoeken