Presentatie door Chris van Lenteren tijdens de Studiemiddag Vraaggericht, Vraaggestuurd, Dialooggestuurd
Geheel tegen de geest van onze tijd in ga ik u een eeuwenoud verhaal vertellen. U gaat dus geen overtuigende uitkomsten uit een diepgaand onderzoek horen, geen nieuw project dat tot de verbeelding spreekt.
Ik wil het met u hebben over dat moeilijk grijpbare terrein van de relatie hulpverlener–cliënt.
“Ik heb geen duf idee van wat ze doen, maar ik weet precies wat ze kosten”. Deze uitspraak wordt gedaan in de midden zeventiger jaren door een nieuw type wethouder in een gemeente in het westen van ons land. Deze wethouder van Welzijn heeft zojuist een glansrijke carrière als manager bij de petrochemische gigant ESSO opgegeven om zich te wijden aan het wethouderschap voor de PvdA. Hij spreekt deze historische woorden als enige en zijns inziens meer dan volstaande motivatie voor het in één klap halveren van de subsidie voor het plaatselijke opbouwwerk. Zijn woorden blijken achteraf gezien niet alleen historisch maar ook profetisch. De twee kernbegrippen die de wethouder in zijn minibetoog hanteert, (transparantie en kosten) zullen de volgende decennia de ontwikkelingen in de zorg verregaand beïnvloeden.
De wethouder had het vuistdikke jaarverslag van het opbouwwerk gelezen en er waren honderden verheven en emancipatorische doelstellingen voor zijn ogen verschenen, spitsvondig opgetekende maatschappelijke analyses. Nergens werd een doelstelling in concrete resultaten geformuleerd en nergens werden activiteiten van de opbouwwerkers in concrete handelingen verwoordt. En er stond al helemaal nergens opgeschreven waar je aan zou kunnen zien dat er aan gewerkt is. Daar moet je bij Esso eens mee aan komen. “Ik heb geen duf idee van wat ze doen, ik weet precies wat ze kosten”
Achter ons ligt op het moment dat we de wethouder in actie zien, een decennium waarin de wereld ook in Nederland een beetje op z’n kop is gezet. De pet van de politie is onder luid applaus afgegooid, hoogleraren struikelen over slaapzakken en gewone vaders en moeders zien met afgrijzen hun langharige zonen en dochters in Aziatische gewaden op buitengewoon harde muziek als in trance bewegen. In de zorg vervagen grenzen tussen cliënten en hulpverleners. Een hierop gebaseerde ideeënstrijd in een inrichting leidt bijna tot een kabinetscrisis. Financieel bekeken wordt de zorg zelfrijzend bakmeel, nooit genoeg. Enerzijds raakt de zorg geheel “getherapeutiseerd” en vliegen aanhangers van de verschillende therapeutische stromingen elkaar voortdurend in de haren, anderzijds raakt de zorg enorm gepolitiseerd. Met name het opbouwwerk valt deze eer ten deel. In Rotterdam bevechten twee buurtcentra elkaar met pamfletten die met een vermoeiende regelmaat in de brievenbussen van de verbijsterde buurtbewoners belanden.
Maar dan komt de tijd van de wethouder. Doelmatigheid en transparantie. Er komt in die tijd van grenzen aan de groei een hardhandig einde aan “het rupsje nooit genoeg” verhaal van de zorg. De combinatie doelmatigheid en transparantie trekt onder andere een ontwikkeling op gang van methodiekvorming en effectonderzoek, van meten is weten. In die beweging bevinden we ons nu volop. Kostenbeheersing, doelmatigheid, transparantie; het zijn verworvenheden. De nieuwe wet op de jeugdhulpverlening leidt tot een reorganisatie die zijn weerga niet kent. De zorg moet zo, zo, zo en dient aan kwaliteitseisen te voldoen. Prachtig, maar midden in die beweging dreigen we de cliënt uit het oog te verliezen. De cliënt dreigt te worden geobjectiveerd tot een probleemcategorie. We hebben instrumenten ontwikkeld waarmee we de cliënt kunnen indelen in een probleemcategorie. Vervolgens trekken we, oneerbiedig gezegd, een methodiek uit de kast. Deze methodiek is liefst evidence based, wat wil zeggen door wetenschappelijk onderzoek bewezen effectief. Zoveel vooruitgang, zoveel ontwikkeling en degelijke implementatie en toch is de meest gehoorde klacht van cliënten dat ze zich niet gehoord voelen, dat ze zich niet serieus genomen voelen. Je vraagt je wel eens af, nu hebben we zo op methodieken en instrumenten geïnvesteerd, hebben onze werkers hierin deskundig gemaakt en nu is het nog niet goed. Zijn onze cliënten niet een beetje verwend, of hebben ze gewoon altijd wel iets te zeuren..
Nee, de schoen wringt ergens anders. Wij hulpverleners weten eigenlijk wel waar. We zijn allemaal wel eens in een ziekenhuis geweest en allemaal kennen we de ervaring van gereduceerd te worden tot een blinde darm of een onregelmatig kloppend hart. En we kennen ook allemaal wel verhalen of eigen ervaringen met een arts die het anders doet, een arts waarbij je voelt dat het om jou gaat.
Het terrein dat we hier betreden is dat van de bejegening. Een woord met een geur van lang vervlogen tijden. Overigens lijkt het wel of dat wat we zeggen over dit terrein slechts in oud klinkende taal kan worden gezegd. Misschien is het thema zo in de marge terechtgekomen, dat we er in ons verzakelijkte vocabulaire nog geen eigentijds klinkende taal voor beschikbaar hebben.
Nieuw is het thema geenszins. Al sinds mensenheugenis breekt men zich het hoofd over de kwaliteit van de relatie tussen mensen. Ik noem twee voorbeelden uit een ver verleden. De Apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de Korinthiërs over de liefde, ik citeer een klein gedeelte van deze verhandeling:
Zelfs al sprak ik met de tongen der engelen maar ik had de liefde niet, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.
Zelfs al gaf ik mijn gehele bezit aan de armen en liet ik mijn lichaam verbranden, en ik had de liefde niet, het zou mij niet baten.
De liefde is lankmoedig en vriendelijk; de liefde is niet afgunstig; de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen.
Zij is niet onvoegzaam, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet verbitteren, ze rekent het kwade niet toe.
De liefde verblijdt zich niet over ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich over de waarheid.
Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
Daarvoor nog, in het oude Athene dacht Aristoteles onder andere na over de vraag wat goede zorg is. Een vrije vertaling:
1. Aanwezigheid, goede zorg geschiedt vanuit betrokkenheid en aanwezigheid. Je moet er zijn als het nodig is.
2. Geraakt zijn, goede zorg ontstaat uit het geraakt zijn door de ander en zijn verhaal, het verhaal van de ander doet iets met je.
3. De ruimte is van beiden, de ruimte in letterlijke of overdrachtelijke zin bijvoorbeeld de tijd, is van beiden. Geen van de twee, zorgvrager en zorgverlener kan eenzijdig aanspraak maken op de ruimte waarin beiden verkeren.
4. Een gezicht tonen, goede zorg vraagt om een zorgverlener die een eigen gezicht heeft, dus niet een gezicht maar jouw gezicht.
Paulus en Aristoteles schreven geen beginselprogramma’s voor de jeugdzorg maar het is niet moeilijk om aan hun woorden criteria voor goede zorg te ontlenen. De presentiebenadering, ontwikkeld door Andries Baart is een eigentijdse neerslag van deze zoektocht naar het wezen van de zorgzame relatie. Baart ontwikkelde zijn denken en doen in de praktijk van het pastoraat in een achterstandswijk.
De uitgangspunten van de presentiebenadering zijn door Edwin Hofmann van de Fontys Hogeschool te Eindhoven verwerkt in een methodisch kader voor transculturele jeugdhulpverlening, en daar komt Collegio om de hoek kijken. Collegio ziet kansen voor deze benadering en zal samen met Edwin Hofmann op verschillende plaatsen in verschillende werksoorten het methodisch kader gaan implementeren en uitwisseling tot stand brengen tussen de uitvoerende werkers om het methodisch kader aan te scherpen en voor de verschillende werksoorten te beschrijven.
Kort gezegd komt de presentiebenadering neer op “het er zijn voor de ander”.
Presentie is een grondhouding. Het is een houding van onvoorwaardelijke inzet. Een erkenning en aandachtgevende betrokkenheid van het hart waarmee de hulpverlener elke hulpverleningsrelatie begint en onderhoudt. We komen hier al dicht bij het begrip liefde waar Paulus het over had en dat door Paulo Freire in zijn boek “pedagogiek van de onderdrukten”nadrukkelijk wordt genoemd als basis van de dialoog. Je moet minstens van mensen houden om het vak van hulpverlener uit te kunnen oefenen en om de dialoog met de ander aan te kunnen gaan.
Veel hulpverleners zullen hun wijze van werken en “het er zijn” voor hun cliënten herkennen in de presentiebenadering. Ze doen het vaak intuïtief en onbewust. De kern van de presentiebenadering is ook voor veel hulpverleners het oorspronkelijke motief waarom ze het vak van hulpverlener kiezen of ooit gekozen hebben.
Laten we de presentiebenadering eens van dichterbij gaan bekijken. Volgens Baart is het intens betrokken zijn bij de ander een kunst apart die in iedere samenleving onontbeerlijk is, maar niettemin lelijk in de verdrukking is geraakt. Vandaar zijn pleidooi voor presentie. De kern van de presentiebenadering is aandachtigheid; je aandacht is waar de ander is en niet bij een methodiek, theorie of een beleidsplan.
Door een aantal kenmerken te beschrijven, wil ik u dichter bij de presentiebenadering brengen.
·Betrokkenheid
Elke hulpverlening begint met actieve betrokkenheid bij de cliënt. Wat de hulpverlener daarna verder ook onderneemt (het zoeken naar mogelijkheden om metterdaad over te gaan tot methodisch handelen) wortelt in die eerste handeling, zich aandachtig betrekken bij de ander. In de hulpverlening blijven de interventies betrekkelijk krachteloos als deze niet vanuit die betrokkenheid worden ondernomen. Een vriend van mij kwam in het ziekenhuis terecht vanwege een felle pijn in de borststreek, na een aantal onderzoeken kwam op een kwade dag een chirurg bij zijn bed met een viltstift in de hand. De dokter verzocht mijn vriend zijn pyjama uit te doen en plaatste zonder enige toelichting, trefzeker twee kruisjes op de gepijnigde borst. Mijn vriend, overvallen door schrik en verwarring, wist nog juist voordat de chirurg de zaal had verlaten te vragen wat die kruisjes te betekenen hadden, waarop de geneesheer zonder hem een blik waardig te gunnen, onderwijl de zaal uitlopend sprak,” daar gaan we morgen snijden”. De interventies die volgden waren alle van een excellente kwaliteit, maar mijn vriend verkeerde die week in een toestand van woede en wantrouwen.
·Een zorgzame betrekking
In de presentiebenadering is probleemoplossing niet het eerste doel. Voorop staat geconsenteerde aandacht als het niet vooraf geprogrammeerd zijn op het ontdekken van één type probleem van één soort aanwijzing. Het aangaan van een zorgzame betrekking slaagt ook als er uiteindelijk geen enkel probleem van betekenis wordt opgelost. Het gaat hier om de kwaliteit van de relatie die doel, zin en betekenis in zichzelf is en geen middel is om iets wat verderop in de tijd ligt te moeten bereiken.
Hier wringt de presentiebenadering met het doelmatigheidsprincipe. In de praktijk van de zorg zijn we gewend geraakt om de relatie tussen cliënt en hulpverlener te zien als staande in dienst van de oplossing van de problemen. En hoewel de aanleiding tot de relatie altijd in de context van zorg en hulp wortelt, is de zorgzame betrekking geen onderdeel van de hulpverleningsstrategie. Doelmatigheid en transparantie zijn categorieën die betrekking hebben op interventies.
·Betrokkenheid op het gehele leven
Niet het probleem of de last die de cliënt ervaart bepalen hier eenzijdig de inhoud van het contact. De hulpverlener toont intensieve betrokkenheid op het lastige en het fijne, het om een oplossing schreeuwende en het schijnbaar onbetekenende, het gewone en het bijzondere in het leven van de ander. Het is niet de hulpverlener die de agenda bepaalt maar de dynamiek van het gesprek, de associaties van de ander.
·Aanvaarding zonder voorwaarden vooraf
De cliënt kan het niet snel verbruien, bijvoorbeeld door onredelijke emoties of door terugval in oud ongewenst gedrag (weer drinken, stelen, geweld gebruiken, geld erdoor jagen, etc.). In zijn presentie is de hulpverlener trouw en betrouwbaar.
·Aandacht voor de (levens) verhalen, de “ik verhalen”
Verhalen zijn boodschappen, betekenisdragers. Het meebeleven daarvan volgt een gedachtespoor en legt al converserend verbanden en betekenissen bloot voor zowel de hulpverlener als de ander. De hulpverlener moet ze zo lang mogelijk volgen, aanmoedigen, bijsturen en weer vlottrekken in de structuur, de intensiteit en vooral de logica die de verteller er zelf inlegt. Dit onbelemmerd volgen van het gedachtespoor van de ander voorkomt dat de hulpverlener het verhaal afhandig maakt en er een eigengereide, verdraaide versie van maakt op grond van het eigen persoonlijk referentiekader of op grond van modellen, theoretische kaders, beleid of subsidies.
Nog voordat Eline mijn kantoortje binnenstapte had ik me aan de hand van rapportage een beeld gevormd van het meisje. Eline werd bijna dagelijks door haar overspannen moeder geslagen met een Spaans rietje en als dan het rietje kapot was geslagen op haar lichaam moest ze van moeder een nieuw kopen. Verder vermeldde het rapport slechts onheil en problemen. Het beeld dat uit deze verhalen rees was dat van een dood vogeltje en geen wonder met zo’n geschiedenis. Er werd geklopt en voor mij stond een stralende jonge vrouw, vriendelijk en zelfbewust, krachtig en helder. Zuid Nederlands jeugdkampioen judo zo bleek later. Deze confrontatie tussen beeld en werkelijkheid maakte mij oprecht nieuwsgierig naar haar verhaal. Na een uur haar gedachtespoor te hebben gevolgd, haar verhaal meebeleefd zag ik een moedige meid die uit oprechte zorg voor haar zusje die, als Eline er niet tussensprong en de klappen opving het mikpunt van moeder zou zijn. “ik ben sterk genoeg, ik voel het nauwelijks, zij kan de klappen niet verwerken, ze is veel te broos”, legde ze uit. Bovendien houdt moeder er veel sneller mee op omdat ik niet schreeuw of huil, de lol is er dan snel vanaf. “ Moeder is zielig, in de war” ik wil ervoor zorgen dat ze niet in de inrichting komt, daar gaat ze dood. We redden het wel zo met z’n drieën”.
·De erkenning
Erkenning is het opbouwen van het begrip vanuit de termen en binnen het perspectief zoals de cliënt ze aanreikt en niet vanuit het eigen achterliggend, persoonlijk of theoretisch kader. Zo verwoordt Baart erkenning. Met de taal die mij is aangereikt door de systeem en communicatietheorie zou ik het zo zeggen, erkenning is het opmerken van de inzet van de ander op zo’n manier dat de ander dat kan ontvangen. Het resultaat van erkenning is zich gezien en begrepen voelen. Erkenning is niet het akkoord gaan met wat de ander doet, het is begrijpen dat de ander doet zoals hij doet vanuit zijn eigen betekeniskader. Eline riep geen hulp in voor haar overspannen moeder omdat ze het gezin bij elkaar wilde houden. Eline verdroeg de klappen van haar moeder om haar zusje te beschermen. De hulpverlener hoeft het niet met alles eens te zijn wat de cliënt doet, maar realiseert erkenning voor de inzet van de cliënt door haar handelingen te verstaan binnen haar eigen betekeniskader. De waarde van erkenning is weliswaar geen probleemoplossing, maar het help wel om met het leven overweg te kunnen.
·Het laten verschijnen van iets
In tegenstelling tot een louter op interventies gerichte benadering, die gericht is op het laten verdwijnen van moeilijkheden, wil de presentiebenadering datgene de ruimte geven wat normaal gesproken taboe is of een negatieve lading heeft. Juist ook de gave gebieden, de terreinen in het leven van de cliënt waar het goed loopt, waar zich krachten manifesteren worden in het laten verschijnen verkend. Als zo verkennend en associatief converserend gave gebieden verschijnen geeft dat vaak een gevoel van opluchting bij de cliënt. Hiermee wordt niet bedoeld dat de hulpverlener nare ervaringen van een ander label voorziet of de problemen relativeert.
·De tijd in het teken van betekenissen scheppen
De tijd die de hulpverlener met de cliënt doorbrengt, staat in de presentiebenadering in een ander teken. Niet in dat van het produceren van oplossingen maar in het scheppen van betekenissen. Dat in dialoog scheppen van betekenissen gebeurd vaak in de vrije, niet geplande en niet afgemeten tijd. Betekenissen die zingevend zij laten zich niet met geplande activiteit tevoorschijn roepen; die moeten een kans krijgen in een niet door tijdsdruk beperkte ruimte.
Ik hoor de managers al zuchten. Daar gaat onze planning. Daar gaat onze standaardisering van modules. Daar gaat onze kostprijsberekening van de modules. Niets is minder waar. Het is de kunst om in de globale berekende tijd zoveel souplesse te realiseren dat er ruimte is voor presentie. Presentie kan soms gerealiseerd worden in een ogenblik. Het gaat om de houding, niet om verkleining van de caseload, al zou dat erg helpen.
·Ongehaastheid
Het niet gehaast zijn is een kenmerk bij uitstek van de presentiebenadering.
·De richting van de beweging
De hulpverlener beweegt naar de cliënt toe. Hij beweegt mee in de leefwereld van de cliënt en met het tempo en in het ritme van degene waar het om gaat.
·Trage vragen
Zorg en hulp hebben naar hun eigen aard ook betrekking op existentiële vragen. Ze worden wel treffend de trage vragen genoemd. Het zijn vragen waar de hulpverlener zich toe moet verhouden. Ze zijn niet eenvoudig oplosbaar. Het zijn vragen rond ziekte en dood, liefde en lijden, lot en geluk, vragen met een logica die niet alleen rationeel is. De trage vragen onderscheiden zich in vrijwel alle opzichten van wat zich langs geplande weg laat realiseren.
Bianca was door haar vader in haar pubertijd veel geslagen. Op het kamertrainingscentrum werd ze regelmatig overspoeld met herinneringen aan die tijd en de klappen van vader waren in haar ogen het bewijs van het feit dat haar vader haar haatte. Deze betekenis was een loden last voor haar, want waarom haatte haar vader haar zo, ze kon het niet begrijpen. Haar mentor verkende met haar de mogelijke betekenissen naast die van Bianca. Op een dag vroeg de mentor “ zou het ook kunnen zijn dat jouw vader je sloeg omdat hij zich vreselijk zorgen maakte over jou in die tijd”? Bianca verwierp deze mogelijkheid met kracht. In het volgende gesprek echter bleek Bianca deze mogelijke betekenis van haar lijden te hebben overdacht en nu toonde ze zich blij. Naast een vader die mij sloeg heb ik nu ook een vader die zich zorgen om mij maakte, daar is beter mee te leven als met een vader die mij haatte.
·Troost
Troosten is aanwezig zijn en het aanwezig stellen en niet het onteigenen van of het verkleind voorstellen van verdriet en leed. Wat troost biedt is dat verdriet en leed er mogen zijn in al zijn grilligheid en ontredderende kracht.
·Sociaal cultureel kapitaal
Hulpverleners kunnen op een ongehaaste, trouwe manier en zonder voorwaarden vooraf deel gaan uitmaken van de sociale wereld van de cliënt en daardoor vertegenwoordigen ze voor de cliënt om het simpel te zeggen, een bepaald aanbod van schaarse kostbaarheden (sociaal cultureel kapitaal). Hulpverleners kunnen zich nestelen in het netwerk van de cliënt en daarin tijdelijk gaten vullen. De hulpverlener biedt in alle bescheidenheid een voorbeeld van een andere manier van in het leven staan, een tegenverhaal, een ruimere kijk om te luisteren waar zo vaak niet geluisterd wordt, een uitbreiding van taal, van steun, van zingeving. De betekenis hiervan voor wie geen perspectief ziet en in ellendige omstandigheden verkeerd kan niet worden onderschat.
·Affectieve binding
Juist de presentiebenadering biedt de ander de gelegenheid om zich in zekere zin te hechten aan de hulpverlener. Langs die affectieve band worden, als de presentie werkelijk duurzaam blijkt te zijn, ook andere culturele goederen overgedragen zoals identiteitsmodellen of alternatieve gedragsvormen.
·Essentiële hulpbronnen
De presentiebenadering helpt de hulpverlener de essentiële hulpbronnen van een humaan en zinvol leven te ontdekken, te exploiteren en te vieren.
De mentor van Bianca stelde in het laatste gesprek voor om haar blijdschap over haar ontdekking van haar zorgzame vader te vieren met een bezoek aan het terras aan de overkant en er eentje op te drinken. Bianca stond erop dat zij dan de drankjes zou betalen.
Ik heb u meegenomen langs de kenmerken van de presentiebenadering, vertaalde de woorden van Andries Baart voor mezelf en wellicht ook voor u. Waar mogelijk illustreerde ik deze benadering met praktijkvoorbeelden. Ik deed dat op vraag van mijn collega’s in het kader van het thema vraaggericht werken. Persoonlijk ben ik door de ideeën van Baart getroffen, ontdekte ik een wonderlijke overeenkomst met mijn eigen stijl van werken en mijn theoretisch onderdak. Het is daarom dat ik u met hopelijk waarneembare bezieling kennis liet maken met deze benadering. De presentiebenadering probeert mijns inziens een antwoord te formuleren op de vragen en klachten die de huidige hulpverleningspraktijk oproept en is naar mijn inzicht dan ook een welkome aanvulling op de verworvenheden van de zorg zoals deze zich heeft ontwikkeld. En nu de vraag: is presentie een manier van vraaggericht werken, of, hoe vraaggericht is de presentiebenadering? Zoals we al zagen is de presentiebenadering vooral gericht op het voeren van een gelijkwaardige dialoog. Het is dus een uitstekend vertrekpunt voor vraaggerichte hulpverlening. Door gedurende het hulpverleningscontact presentie te realiseren wordt aan de belangrijkste voorwaarde voor vraaggericht werken voldaan. Marc Noom en Micha de Winter zeggen in hun definitie van dialooggestuurd werken, dat de dialoog het belangrijkste middel is om tot sociale verbondenheid te komen. De presentiebenadering is bij uitstek de benadering die gericht is op het verwezenlijken van die sociale verbondenheid.